Referenties

Hoge Raad-arrest inzake box 3-heffing

18 maart 2022

Mogelijk vermogens boven €1 miljoen zwaarder belast

Hoge Raad-arrest inzake box 3-heffing

Zoals u wellicht uit de pers hebt vernomen, heeft de Hoge Raad op 24 december 2021 geoordeeld dat de forfaitaire berekening van de box 3-belasting in 2017 en 2018 onevenredig zwaar drukt en daarmee in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). De Hoge Raad oordeelt dat een verhoudingsgewijs zware financiële last wordt verbonden aan de keuze om niet over te gaan tot het risicovol beleggen van vermogen. Verder werkt de in 2017 ingevoerde forfaitaire vermogensmix discriminerend uit voor degenen die pech hebben gehad met hun risicovolle beleggingen en daarover toch relatief zwaar worden belast. Daarom biedt de Hoge Raad rechtsherstel aan in die zin dat voor de jaren 2017 en 2018 alleen het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken. Hiermee is er dan uiteindelijk toch een positieve uitspraak voor de spaarder met nauwelijks rendement die hierover toch een substantiële heffing moet betalen.

Collectieve uitspraak Belastingdienst

De Belastingdienst heeft begin februari de collectieve uitspraak gepubliceerd in de massaalbezwaarprocedures tegen de box-3-heffing over 2017 tot en met 2020. Alle 200.000 bezwaarschriften zijn gegrond verklaard. Dat wil niet zeggen dat de deelnemers aan de massaalbezwaarprocedures nu weten hoeveel zij terugkrijgen en wanneer. Ook is er nog niets bekend over eventuele compensatie voor andere belastingplichtigen die te veel box-3-heffing hebben betaald. Het kabinet heeft toegezegd uiterlijk 1 mei 2022 met een inhoudelijke reactie te komen hoe rechtsherstel geboden kan worden over de afgelopen jaren. Voor de meeste situaties met een substantiële box 3-heffing hebben wij reeds bezwaar gemaakt over de laatste jaren. Verdere actie voor deze maar ook voor andere gevallen is pas zinvol na de toegezegde inhoudelijke reactie van de Belastingdienst.

Nieuwe box 3-heffing

Een box 3-heffing op basis van het werkelijk rendement kan volgens het kabinet niet eerder ingaan dan in 2025. Wel wordt nu gewerkt aan spoedwetgeving, die een oplossing moet bieden voor de tussenliggende jaren. Met de spoedwetgeving worden aanpassingen gedaan aan de bestaande box-3-wetgeving. Hierbij zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan forfaitaire rendementen die beter aansluiten bij de werkelijke rendementen en op basis van de daadwerkelijke samenstelling van het vermogen. Het kabinet zegt toe voor 1 april 2022 een richtingennotitie voor de hersteloperatie naar de Tweede Kamer te sturen.

Overigens is het wel duidelijk dat een nieuw systeem zeker niet voor alle belastingplichtigen tot voordeel gaat leiden. Het belasten van werkelijk rendement kan namelijk ook inhouden belasten van vermogensstijgingen van effecten en onroerend goed, die tot nu toe juist niet apart belast werden. Bovendien gaan er stemmen op dat de dekking voor de maatregelen uit dezelfde categorie belastingbetalers zou moeten gaan komen.

Toekomstige aanslagen en aangiften

De uitspraak van de Hoge Raad heeft ook gevolgen voor 2021 en latere jaren. Er worden momenteel geen definitieve aanslagen verstuurd aan belastingplichtigen met box-3-vermogen. Alleen als verjaring dreigt of als er een belang is bij de belastingplichtige, wordt hierop een uitzondering gemaakt. Zodra duidelijk is hoe het herstel eruit gaat zien, worden deze aanslagen hersteld. Belastingplichtigen worden hierover geïnformeerd.

De Belastingdienst vraagt belastingplichtigen om de voorlopige aanslag IB 2022 te betalen, in afwachting van verdere besluitvorming. Ook wordt aan hen gevraagd om de aangifte IB 2021 gewoon in te dienen met opgave van het box-3-vermogen. Belastingplichtigen met box-3-vermogen krijgen waarschijnlijk later dan 1 juli 2022 hun aanslag over 2021 opgelegd, ook als zij vóór 1 april aanstaande hun IB-aangifte over 2021 hebben ingediend.