De box 3 wetgeving is altijd in beweging sinds het kerstarrest van december 2021. Lees verder en ontdek de laatste wijzigingen in dit gebied!

Er waren begin dit jaar 15 rechterlijke uitspraken voor en 0 tegen. Sinds het kerstarrest in 2021 is het niet duidelijk wat er gaat gebeuren. Tot en met 2016 werd in box 3 belasting geheven over een vast rendement en vanaf 2017 was het gebaseerd op een fictief rendement. Er zijn nu meer uitspraken voor dat het werkelijke rendement van de belastingplichtige wordt belast dan tegen.

4 opties ter verfijning

Het kabinet maakt op 26 april vier opties bekend voor een mogelijke verfijning van de categorieën ‘overige bezittingen’ en ‘schulden’ in box 3. De eerste betreft de plaatsing in de categorie ‘banktegoeden’ van aandelen in het vermogen van een Vereniging van Eigenaren (VvE) en geld op een derdenrekening bij een notaris. De tweede optie betreft het defiscaliseren van onderlinge vorderingen en schulden in box 3, die in een gezamenlijke aangifte worden verwerkt. Hieronder worden verrekenbedingen begrepen tussen echtgenoten op basis van huwelijkse voorwaarden of bij toerekening aan de ouders van vermogen van minderjarige kinderen. Wat zijn de andere twee opties – en is er meer?

De eerste twee opties worden sowieso uitgewerkt in nieuwe wetgeving. Dat heeft het kabinet namelijk al toegezegd aan de Eerste en Tweede Kamer bij de behandeling van de Overbruggingswet box 3.

De derde verfijningsoptie betreft het creëren van een aparte categorie voor vorderingen, waardoor deze dan hetzelfde forfaitaire rendementspercentage krijgen als schulden. Hierbij wordt met name gedacht aan geldvorderingen tussen natuurlijke personen.

Optie vier is het opsplitsen van de categorie ‘overige bezittingen’ in meerdere categorieën met eigen forfaits, waaronder aparte categorieën voor effecten en voor onroerende zaken.

Naast de verfijningsopties wordt onderzocht of de heffingskorting voor groene beleggingen kan worden verhoogd.

Onroerende zaken in stelsel naar werkelijk rendement

Ook wordt onderzocht hoe onroerende zaken het beste kunnen worden belast in een stelsel op basis van werkelijk rendement. Daarbij wordt gekeken naar een combinatie van enkele varianten, zoals het belasten naar werkelijke inkomsten zoals huur, pacht en erfpachtinkomsten. En naar het belasten van de waardeontwikkeling van onroerend goed, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen woningen en niet-woningen. Ook wordt onderzocht hoe eigen gebruik van onroerend goed in box 3 kan worden belast. Een andere variant die wordt onderzocht, is het belasten van onroerend goed, waaronder grond, als resultaat uit overige werkzaamheden (row) in box 1.

Nieuw stelsel definitief uitgesteld

Het kabinet heeft nog geen beslissing genomen over de definitieve vorm van het nieuwe stelsel. Wel laat staatssecretaris Van Rij weten dat een zorgvuldig wetgevingsproces met zich meebrengt dat het nieuwe stelsel op basis van het werkelijke rendement pas in werking kan treden op 1 januari 2027.

Bron: Fiscount.nl

Indien u een brief heeft gehad van de Belastingdienst met als onderwerp “Verzoek om informatie” aangaande uw buitenlandse rekening, betekent dit dat de Belastingdienst uw buitenlands vermogen op het spoor is gekomen.

U bent verplicht om buitenlands vermogen aan te geven bij de Belastingdienst. Heeft u dit niet gedaan, dan zult u naast de verschuldigde naheffing een boete moeten betalen. Deze boete kan oplopen tot 300% en er is kans op strafrechtelijke vervolging.

Brief gehad van de Belastingdienst

Als de fiscus op de hoogte is van uw buitenlands vermogen, moet u een Verklaring Buitenlands vermogen opgeven bij de Belastingdienst. Dit is geen normale aangifte en ook geen normale inkeerregeling. Wij begeleiden u graag bij dit proces. Het is mogelijk om dit zelf te doen, maar wij adviseren u om dit uit te besteden. Het kost veel moeite, tijd en (helaas) ook zorgen.

Boete beperken

Indien u in deze situatie verkeert, is volledige medewerking en openheid van zaken noodzakelijk. Ook is het van belang om verzachtende omstandigheden aan te dragen. U dient dezelfde gegevens aan te leveren als bij de inkeerregeling. Evenals bij de inkeerregeling is het voor u zeer waarschijnlijk voordeliger om dit proces uit te besteden aan een gespecialiseerde belastingadviseur. Onze belastingadviseurs hebben ruime ervaring en weten hoe zij op de juiste wijze uw situatie moeten presenteren aan de inspecteur. Wij zullen ons tot het uiterste inzetten om uw boete te beperken.

Pakkans steeds groter

Het is te verwachten dat de Belastingdienst op korte termijn meer personen met verzwegen buitenlands vermogen op het spoor komt, aangezien er naast informatie-uitwisseling met banken in het buitenland ook actief onderzoek wordt verricht naar transacties met buitenlandse betaalkaarten.

Heeft u in de voorafingevulde aangifte een buitenlandse rekening vermeld staan? Neem dan contact op.

Hierna volgen de belangrijkste voorstellen uit het ‘Belastingplan 2022’ die op 1 januari 2022 in werking treden, tenzij anders is vermeld:

  • Wettelijke grondslag voor de tijdelijke verhoging van de vrije ruimte in de werkkostenregeling in 2021;
  • Verhoging bijtelling privégebruik emissieloze personenauto’s van 12% naar 16% en verlaging van de catalogusprijs waarop dit percentage mag worden toegepast van maximaal € 40.000 naar maximaal € 35.000 in 2022 en naar € 30.000 vanaf 2023;
  • Introductie van een onbelaste thuiswerkvergoeding van € 2 per dag. Daarnaast blijft de onbelaste reiskostenvergoeding van € 0,19 bestaan. Werkgever en werknemer kunnen vaste afspraken maken over het aantal dagen per week dat de werknemer thuiswerkt en naar het werk gaat, zodat de werkgever een vaste vergoeding kan geven.

Andere in het Belastingplan 2022 voorgestelde maatregelen zijn:

  • Verlaging eerste IB-tariefschijf van 37,1% in 2021 naar 37,07% in 2022. De tweede tariefschijf blijft 49,5%. Het beginpunt van de tweede tariefschijf komt te liggen bij een inkomen van € 69.398 (in 2021: € 68.507);
  • Verhoging steunpercentages in de MIA van 13,5%, 27% en 36% naar respectievelijk 27%, 36% en 45%;
  • wijzigingen in de overdrachtsbelasting (OVB) met betrekking tot de tariefdifferentiatie voor starters: aanpassing hoofdverblijfcriterium bij onvoorziene omstandigheden die zich voordoen vóór verkrijging, maar nadat de koop niet meer ontbonden kan worden. Daarnaast herformulering van de antimisbruikbepaling voor de woningwaardegrens bij de startersvrijstelling;
  • Codificatie vrijstelling voor TVL-subsidie en TVL-subsidie startende mkb’ers;
  • Verlaging maximumbedrag inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) met € 318;
  • Reparatie van onbedoeld effect van de IACK voor buitenlands belastingplichtigen door hen uit te zonderen van het fiscaal partnerbegrip;
  • Aanscherping CO2-schijfgrenzen en tarieven BPM voor 2022 tot 2025;
  • Beperking verrekening voorheffingen (dividendbelasting en kansspelbelasting) met maximaal een jaar verschuldigde vennootschapsbelasting. De niet-verrekende voorheffingen kunnen onbeperkt worden doorgeschoven naar latere jaren;
  • Introductie recht op huurtoeslag bij overschrijding huurgrens, mits vóór deze overschrijding ten aanzien van de woning op enig moment recht op huurtoeslag bestond;
  • Verlaging onder voorwaarden van het tarief voor walstroom tot € 0,0005 per geleverd kWh elektriciteit. Bij gebruik walstroom hoeven schepen bovendien geen opslag duurzame energie te betalen.

Hierna volgen de belangrijkste voorstellen uit het ‘Overige fiscale maatregelen 2022’(OFMdie op 1 januari 2022 in werking treden, tenzij anders is vermeld:

  • Aanpassingen eigenwoningregeling bij gezamenlijke koop en financiering van een eigen woning door fiscale partners;
  • Aanpassingen eigenwoningregeling bij overlijden van een van de partners: de eigenwoningreserve van de overledene en de eventuele aflossingsstand van de overledene gaan niet meer over op de langstlevende partner of andere belastingplichtige;
  • Vereenvoudiging van aanvraagsystematiek van de WBSO-regeling en verduidelijking dat alleen kosten en uitgaven die aangevraagd zijn en waarvoor S&O-afdrachtvermindering is toegekend, kunnen worden opgevoerd bij de mededeling.

De aanpassingen van de eigenwoningreling bij gezamenlijke koop en financiering van een eigen woning door fiscale partners betreffen de volgende situaties:

  • de overgang van de eigenwoningreserve (EWR) in huwelijkssituaties;
  • de inzet van de EWR bij gezamenlijke aankoop en financiering van de eigen woning;
  • de overgang van de aflossingsstand in huwelijkssituaties;
  • de inzet van een aflossingsstand bij gezamenlijke aankoop en financiering van de eigen woning;
  • de gevolgen van het oversluiten van een bestaande eigenwoningschuld bij fiscaal partnerschap.

Andere wijzigingen in het wetsvoorstel OFM 2022 zijn:

  • Vereenvoudiging éénloketsysteem in de btw-regels voor e-commerce: een negatieve btw-melding wordt daarbij aangemerkt als een verzoek om btw-teruggaaf, waardoor een afzonderlijk teruggaafverzoek niet meer nodig is. Deze maatregel treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 juli 2021;
  • Introductie van wettelijke verplichte maandelijkse gegevensuitlevering van kinderopvangorganisaties aan Belastingdienst Toeslagen.

In het ‘Wetsvoorstel aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten’ wordt het als loon  verstrekken van aandelenoptierechten aan werknemers fiscaal aantrekkelijker gemaakt door de mogelijkheid te bieden om het heffingsmoment te verschuiven naar het moment waarop de uit de optierechten verkregen aandelen verhandelbaar zijn. Onder de huidige regeling moet de werkgever de loonheffingen over de aandelenoptierechten al inhouden en afdragen, zodra de werknemers de optierechten inruilen voor aandelen. Dit is vaak een probleem voor start-ups en scale-ups, omdat zij op dat moment vaak niet beschikken over voldoende middelen.

Op grond van de voorgestelde maatregel neemt de werkgever dan op het latere moment de waarde in het economisch verkeer van de aandelen in aanmerking als loon. Dan beschikt hij of zij wel over de benodigde middelen om de loonheffingen over de aandelenoptierechten te betalen. Zo moet het ook voor start-ups en scale-ups beter mogelijk worden om personeel aan te trekken en te behouden.

Let op, het latere heffingsmoment is geen must maar een keuzerecht. Komt de huidige regeling beter uit, dan mag de werkgever die toepassen.

Het wetsvoorstel ‘Verlaging tarief en maandelijks aanpassen verhuurderheffing’ regelt de al eerder toegezegde verlaging van de verhuurderheffing per 1 januari 2022 als compensatie voor het feit dat verhuurders en woningcorporaties geen huurverhoging mogen doorvoeren in 2021. Zo wordt hun investeringscapaciteit op peil gehouden. Daarnaast wordt een extra verlaging voorgesteld. Het nieuwe tarief van de verhuurderheffing is op 1 januari 2022 0,485% (in 2021: 0,526%). Daarnaast wordt voorgesteld om de heffingsverminderingen maandelijks in plaats van per kwartaal te verhogen, te verlagen of op nihil te stellen.

Naast de hiervoor genoemde wetsvoorstellen zijn op Prinsjesdag o.a. de volgende twee wetsvoorstellen ingediend bij de Tweede Kamer:

De 30%-regeling is een loonbelastingfaciliteit voor expats waarbij 30% van het brutosalaris belastingvrij wordt uitgekeerd en er gebruik gemaakt kan worden van twee inkomstenbelastingvoordelen.

De 30%-regeling

Er is een meningsverschil aan de gang inzake de 30%-regeling. Groenlinks schaft in ‘keuzes in Kaart 2022-2025’ de 30%-regeling en de vrijstelling extraterritoriale kosten (ETK) voor ingekomen werknemers af. Dit is een lastenverzwaring voor gezinnen van 0,5 mld euro. De Kamerleden van de SP en GroenLinks hebben ook al in 2016 een motie ingediend ter heroverweging van de noodzaak van de 30%-regeling en gaan er nu op stemmen. Dat om het ‘begrotingstekort’ door het kerstarrest te verminderen. Daarbij zou het helpen om de 30%-regeling af te schaffen.

Zij beweren dat er door deze regeling een onterecht verschil is tussen ingekomen en uitgezonden werknemers. Is deze ‘ongelijkheid’ echt een reden om de 30%-regeling af te schaffen?

De 30%-regeling – broodnodig

Er was tijdens de tweede wereldoorlog een groot tekort aan hoogopgeleid personeel en het tarief van de inkomstenbelasting was dan ook wel 70%. Niet een ideaal vestigingsklimaat dus. Na langdurige overleggen besloten de Belastingdienst en het bedrijfleven voor een gunstige regeling die hoogwaardig personeel zou aantrekken, om bij te dragen aan de wederopbouw van Nederland.

Het beraad resulteerde in de 40% regeling. Dat wilde zeggen dat 40% van het salaris, met maximum 40.000 gulden vrijgesteld werd van belasting door een aftrek. Vreemd genoeg wisten de meeste mensen hier niet van af. De regeling werd nooit gepubliceerd in een wet of resolutie bijvoorbeeld. In de loop der jaren heeft deze regeling verschillende wijzigingen ondergaan: zo is het naar een 35%-regeling gegaan in 1970, is het karakter van een aftrekregeling naar een vergoedingsregeling gewijzigd in 1992 en is het in de (loonbelasting)wet verankerd als de 30%-regeling en is de termijn nog van 8 jaar naar 5 jaar gewijzigd in 2019. Dit om de regeling doelmatiger te maken. Ondanks de extratorritiale kosten kan de werkgever door deze gunstige regeling wel 30% van het salaris belastingvrij uitkeren.

Maar naast die vrijstelling is er nog een groot voordeel voor de werknemer zelf. Er kan namelijk geopteerd worden voor de partieel buitenlandse belastingplicht. Op deze manier wordt alleen het box 1 inkomen belast als binnenlands belastingplichtige. Voor box 2 en box 3 wordt de werknemer belast als buitenlands belastingplichtig. Dat wil zeggen dat alleen eventuele onroerende zaken in NL, rechten op onroerende zaken in Nederland en winstrechten van Nederlandse ondernemingen opgegeven dienen te worden. Voorts kan de werkgever de internationale schoolgelden van de kinderen van werknemers belastingvrij vergoeden, kunnen de verhuiskosten en kosten voor het overbrengen van de boedel belastingvrij verstrekt worden. Ook kan een Nederlands rijbewijs makkelijker verstrekt worden.

Voor wie geldt de 30%-regeling ?

De 30%-regeling geld voor de ingezonden en uitgezonden werknemers. Bovendien kan de 30%-regeling ook toegepast worden bij bijvoorbeeld een DGA in dienst van de eigen BV; er moet sprake zijn van een dienstbetrekking.

Uitvoeringsbesluit Loonbelasting artikel 2:

Hier wordt onder verstaan:

  1. extraterritoriale werknemers: ingekomen werknemers en uitgezonden werknemers;
  2. ingekomen werknemer: door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet:

1°.met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is; en

2°.die in meer dan tweederde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling in Nederland woonachtig was op een afstand van meer dan 150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de territoriale zee van Nederland en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone.

Hier kunnen we uit opmaken dat er voorwaarden zijn om de 30% regeling toe te passen:

  1. Er moet een werkgever aanwezig zijn; de inhoudsplichtige
  2. Deze heeft een werknemer in dienst;
    1. Deze is uit een anders land aangeworven
    2. Of deze is uitgezonden naar hem.

Verder moet de werknemer deskundig genoeg zijn. Dit wordt aangetoon door een salariscriterium en de werknemer dient wel 16 van de laatste 24 maanden op max 150 km afstand van de Nederlandse grens gewoond te hebben. Dit op het moment van het aanwerven. Er is vaak meningsverschil over deze criteria.

Hoezo zijn er tegenstanders van de 30%-regeling ?

Door 30% van het inkomen vrij te stellen wordt het verhuizen van de werknemer vergemakkelijkt. De 30%-regeling is een regeling zonder een ‘cap’, die door het salariscriterium wordt toebedeeld aan goedverdienende werknemers. Nu verschillen de meningen over de kosten van de verhuizing. Ook kunnen rijkere werknemers gebruik maken van deze regeling, voor wie de 30% niet noodzakelijk is. Sommige mensen vinden dat niet eerlijk, zoals de FNV. Deze vakbond vind het  ‘een excessieve compensatie voor met name de hogere inkomens’. En volgens FNV-bestuurder Amrit Sewgobind zorgt de regeling voor ongelijkheid op de arbeids- en woningmarkt door verdringing van Nederlandse werknemers en verhoging van de huizenprijzen. In het verleden heeft de FNV dit argument al naar voren doen komen vanwege de hoge werkloosheid, de 30% regeling zou als gevolg verdringing op de arbeidsmarkt hebben.

Afschaffen dus?

In 2018 zijn er talloze argument in het Wob-verzoek te vinden, die pleiten om het behoud van de 30%-regeling. ook uit de economische grondbeginselen kunnen we opmaken dat de 30%-regeling niet afgeschaft dient te worden:

  • Naar een nieuw, onbekend land verhuizen, dat is voor de meeste mensen een hele belevenis. Het gaat om de kennismaking met een nieuwe cultuur, omgangsvormen en bovendien kent de werknemer niemand. We moeten de gevolgen niet onderschatten. Het openen van een bankrekening bijvoorbeeld is een hele opgave door de huidige Wwft-verplichtingen. Zo kunnen bijvoorbeeld auto’s niet direct geleaset worden en sportclubs en huisartsen hebben wachtrijen. Kortom, het kost geld, tijd en moeite om te integreren in een nieuw land. Een hoop geregel komt erbij kijken. Hoe we kunnen helpen? De werkgever door een passend salaris en overige voordelen te verschaffen. En de overheid helpt door de 30%-regeling.
  • Internationale docenten naar Nederland halen; daarvoor hebben we de 30% regeling ook nodig;
  • In de onderwijs – en wetenschapssector is deze regeling nodig om uit beperkte publieke middelen een academisch salaris te kunnen verstrekken;
  • Aangezien de meeste werknemers best gehaast een onderkomen hebben moeten vinden leven zij ook in relatief dure huizen;
  • Als de 30%-regeling er niet is dan gaan de werknemers met talent ergens anders werken waar het belastingklimaat wel aantrekkelijk is;
  • Bij sommige pensioenvormen speelt pensioenvermogen een grote rol bij partiële buitenlandse belastingplicht;
  • Voor tech-bedrijven is de 30%-regeling van uiterst belang om een verleidelijk bod te doen aan werknemers;
  • De landen Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Oostenrijk, Griekenland, Cyprus, Finland, Zweden en Denemarken hebben net als ons ook een ‘expatregelng. Ook heeft België een regeling ingevoerd die veel in gemeen heeft met onze 30%-regeling;
  • Met een afschaffing van de 30%-regeling zou Nederland niet veel meer aantrekkelijks te bieden hebben voor inkomende werknemers. De verhoging van het toptarief van de vennootschapsbelasting, de invoering van doncitionele bronheffing op rentes en royalty’s , de strenge implementatei van ATAD 2  en de verhoging van het effectieve innovatiebox-tarief, zijn allemaal voorbeelden van strenge maatregelen die het vestigen in Nederland er niet makkelijker op maken;
  • De economische groei wordt eerder beperkt door protectionistische maatregelen dan leiden tot economische groei;
  • Als er door het afschaffen van de 30%-regeling minder hooggeschoold personeel naar Nederland komt dan zullen er ook minder belastingopbrengsten zijn. De afschaffing van de 30%-regeling zal niet tot het dichten van het begrotingsgat.

Nederland heeft veel hoogopgeleid personeel nodig, aangezien het geen lagelonenland is. Het is belangrijk dat goede internationale wetenschappers en docenten naar Nederland komen on te zorgen voor de ontwikkeling van de wetenschap en de studenten. En niet te vergeten; Nederland profiteert van de open grenzen en open handel. Ook profiteren we steeds meer van het start – en scale-up klimaat. Dit alles zou onder zo een afschaffing gaan lijden.

De tegenargumenten weerlegd!

Dialogic, Vleggeert en Van Schendel beweren dat de 30% regeling voor systematische overcompensatie. De Hoge Raad en de A-G zijn het hier echter niet mee eens. De regeling is juist van 40% en 35% naar de 30% gegaan om beter aan te sluiten bij de daadwerkelijke extraterritoriale kosten. De extraterritoriale kosten zijn gemiddeld 29% van de loonsom, waardoor een vrijstellingvan 30% gerechtvaardigt is, volgens een onderzoek van Dialogic.

Een ander argument is dat expats meer geld hebben waardoor de huizenprijs opgedreven is. Of dat nou klopt of niet, het zou maar één van de vele oorzaken zijn van de stijgende huizenprijzen.

De 30%-regeling – gewoon laten!

De 30%-regeling is van groot belang voor de Nederlandse economie- niet alleen vanwege de open economie, maar ook door het tekort aan technisch opgeleid personeel. Bovendien heeft de Nederlandse regering een reputatie gekregen als onvoorspelbaar en dat ze de wetgeving grillen. Wat Nederland een goed vestigingsland maakt, zijn de faciliteiten als de 30%-regeling, de goede infrastructuur, de Engels sprekende bevolking en bijvoorbeeld de innovatiebox. Het afschaffen van de 30%-regeling zou zonde zijn en de gevolgen moeten we niet onderschatten.  Natuurlijk dient de ontbering van emigratie serieus genomen te worden.

Deze wijzigingen uit het ‘Belastingplan 2020‘ gaan in op 1 januari 2020, tenzij anders vermeld:

Snellere invoering tweeschijvenstelsel
In plaats van per 1 januari 2021 gaat al per 1 januari 2020 het tweeschijvenstelsel in. Er komen twee IB-tariefschijven van 37,35% en 49,5% (toptarief);

Verhoging algemene heffingskorting
In het voorstel wordt de algemene heffingskorting in twee stappen verhoogd: met € 78 in 2020 en met € 2 in 2021. Deze verhoging komt bovenop de beleidsmatige verhoging die al in het basispad zat;

Verhoging arbeidskorting
De arbeidskorting wordt volgens het voorstel met ingang van 2020 in drie stappen verhoogd ten opzichte van het basispad;

Afbouw zelfstandigenaftrek
In 2020 wil het kabinet beginnen met een verlaging van de zelfstandigenaftrek van € 7.280 naar uiteindelijk zo’n € 5.000. Het voorstel is om dit in 8 stappen van € 250 per jaar en 1 stap van € 280 te doen, zodat in 2028 de aftrek € 5.000 bedraagt;

Meer vrije ruimte
De vrije ruimte wordt per 1 januari 2020 verhoogd van 1,2% naar 1,7% van de totale loonsom over de eerste € 400.000. Voor de resterende loonsom (boven de € 400.000) blijft de vrije ruimte 1,2%. Hierdoor kunnen werkgevers vanaf 2020 € 2.000 meer onbelast verstrekken aan hun werknemers.

Geen verlaging vennootschapsbelasting voor winst boven 200.000 euro
De vennootschapsbelasting over winsten boven 200.000 euro wordt volgend jaar nog niet verlaagd naar 22,5%, zoals eerder was voorgenomen. Het vennootschapsbelastingtarief blijft 25%. Ook daalt het tarief vanaf 2021 minder snel: naar 21,7 % in plaats van 20,7%. Voor winsten lager dan 200.000 euro daalt het tarief volgend jaar wel van 19% naar 16,5 %.

Andere voorgestelde maatregelen in het Belastingplan 2020 zijn onder meer:

  • Gerichte vrijstelling voor vergoedingen voor de kosten van Verklaringen Omtrent Gedrag (VOG);
  • De grondslag voor de berekening van de korting op producten uit het eigen bedrijf wordt de waarde in het economisch verkeer van die producten;
  • Aangifte en afdracht over eindheffingsbestanddelen moet uiterlijk bij de loonaangifte van het tweede loontijdvak plaatsvinden (nu nog uiterlijk het eerste loontijdvak);
  • Gedeeltelijke terugdraaiing van beëindiging overgangsrecht saldolijfrenten;
  • Invoering jaarlijkse indexatie van de vrijwilligersregeling;
  • Verlaagd btw-tarief voor digitale uitgaven.

De volgende wijzigingen uit de ‘Overige fiscale maatregelen 2020‘ treden in werking per 1 januari 2020, tenzij anders vermeld:

Overige:

  • Openbaar maken van vergrijpboeten die zijn opgelegd aan medeplegers die beroeps- of bedrijfsmatig bijstand verleenden;
  • Wijziging tonnageregeling;
  • Keuzeregeling om berichten van de Belastingdienst per post of elektronisch te ontvangen;
  • Wijziging belastingrente voor de vennootschapsbelasting en de erfbelasting;
  • Aanpassing van de inkeerregeling: boetevrij inkeren wordt uitgesloten voor ab-inkomen en er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen binnenlands en buitenlands inkomen.

Het Hof Amsterdam oordeelt dat de Belastingdienst willekeurig heeft gehandeld in de toepassing van het correctiebeleid voor navordering. Het betreft een uitspraak in de zaak van een belastingplichtige X die het niet eens is met de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2012 t/m 2014.

Indien het navorderingsbedrag over een belastingjaar lager is dan € 450 euro dient niet nagevorderd te worden. Echter, het correctiebeleid voor navordering bepaalt dat indien  binnen dat belastingjaar sprake is van repeterende onjuistheden er toch nagevorderd moet worden, ook al is er sprake is van een navorderingsbedrag lager dan € 450. Er zijn bij de Belastingdienst echter fouten gemaakt doordat in het ene geval wel en het andere geval geen navordering is geheven indien sprake was van repeterende onjuistheden bij een lager navorderingsbedrag dan € 450, terwijl dit volgens het correctiebeleid wel moest. Bij het maken van deze fouten blijkt de kennisstand van de aanslagregelaar een rol te hebben gespeeld.  Door de verschillende kennisniveaus is er dus willekeur bij toepassing van het correctiebeleid. Op grond van dit verbod op willekeur oordeelt Hof Amsterdam dat van navordering moet worden afgezien over de jaren waarin sprake is van een bedrag lager dan € 450, ook al is er sprake van repeterende onjuistheden.

Ten gevolge van deze uitspraak vervielen twee van de drie navorderingsuitslagen tegen belastingplichtige X.

Deze uitspraak kan gunstig uitpakken voor belastingplichtigen waarbij binnen een of meerdere belastingjaren sprake is van repeterende onjuistheden en een navorderingsbedrag lager dan € 450. Indien het om meerdere jaren gaat, kan het in sommige gevallen toch wel leiden tot een iets gunstiger navorderingsbedrag.

 

Bij steeds meer banken is tegenwoordig sprake van een negatieve spaarrente, al vanaf € 100.000 op de spaarrekening. U krijgt dus geen rente meer over uw geld op de spaarrekening, maar moet juist een bepaald percentage betalen over uw spaargeld voor het stallen van uw geld bij de bank. Er zijn diverse manieren om negatieve spaarrente te voorkomen.

  1. De meest bekende: extra rekeningen openen: bij sommige banken kunt u bij één bank meerdere rekeningen hebben en worden de rekeningen niet bij elkaar opgeteld. Bij andere banken worden de bedragen op verschillende rekeningen bij één bank wel bij elkaar opgeteld. Uw spaargeld spreiden over meerdere rekeningen kan lastig zijn, omdat de banken niet meer zo makkelijk een nieuwe rekening voor u openen. Zeker nu steeds meer mensen gebruik willen maken van deze oplossing.
  2. Beleggen: u kunt uw geld ook beleggen; spreiden over veel verschillende investeringen is dan raadzaam, evenals het inschakelen van een goede financieel adviseur. Deze kan afhankelijk van uw gewenste risico niveau de juiste investeringen voor u uitzoeken en regelen;
  3. Renteloze lening aan uw kind verschaffen: u stalt uw geld tot maximaal € 100.000 op de spaarrekening van uw kind. Sluit wel een schriftelijke leningsovereenkomst af waarin u aangeeft dat de lening bedoeld is om negatieve rente bij de bank te voorkomen en dat u het geld altijd direct weer op kunt eisen. Extra optie: Indien u uw kind dan als tegemoetkoming het bedrag aan bespaarde negatieve rente betaalt is dit voor uw kind belastingvrij. Leg dit ‘rentebedrag’ vast in de leningsovereenkomst. Zie ook familiebank;
  4. Lening aan uw eigen BV: heeft u nog ruimte op de bankrekening(en) van uw BV? Leen dan uw privévermogen uit aan uw BV. Voorwaarde is wel dat u de BV meer rente betaalt dan de bank aan de BV in rekening brengt. Uw BV maakt dan ‘winst’ en er is sprake van zakelijk handelen. U kunt de door u aan de BV betaalde rente aftrekken in box 1 op basis van de terbeschikkingstellingsregeling. Ook in dit geval moet u dit in een leningsovereenkomst vastleggen;
  5. Lening van uw BV aan u: Heeft u juist nog ruimte op uw privé rekening, terwijl uw BV rente moet betalen aan de bank? Leen dan geld van uw BV. De BV moet dan wel in plaats van aan de bank aan u rente vergoeden. Deze rente is voor uw BV aftrekbaar. U heeft dan wel een ‘schuld’ bij uw BV maar ontvangt onbelast rente die bovendien voor uw BV aftrekbaar is. Uw banksaldo in box 3 neemt dan wel toe, maar uw schuld ook, dus per saldo wordt er (bijna) niets belast.
  6. OFGR oprichten: indien het om een aanzienlijk vermogen gaat, is het oprichten van een Fonds voor Gemene Rekening (OFGR) ook een optie om negatieve spaarrente en hoge box-3 heffing te voorkomen. Hierbij wordt namelijk uitgegaan van het daadwerkelijke rendement in plaats van de box-3 heffing waarbij men een vaak ongunstig fictief rendement rekent.
  7. Mocht u reeds voornemens zijn om een schenking te doen aan uw kind(eren), dan is de negatieve spaarrente mogelijk een duwtje in de rug. U zou dan mogelijk gebruik kunnen maken van de belastingvrije schenking voor een koopwoning.
  8. Een zogenaamde ‘Inventieve constructie’ in het buitenland om uw vermogen te verhullen: deze methode is regelrechte belastingontduiking en mogelijk strafbaar. De fiscus is hier zeer alert op en heeft een speciaal programma ‘Verhuld vermogen’ waarmee in 2020 190 miljoen aan alsnog opgelegde belastingen, boetes en rente werd binnengehaald. Laat u dus niet verleiden door malafide adviseurs die u willen overhalen tot een dergelijke illegale constructie.

Bezit u box 3 vermogen boven € 100.000? Wij kijken graag met u naar fiscale mogelijkheden om te voorkomen dat u negatieve rente betaalt over een spaarrekening.

Heeft u recent of in het verleden vermogen niet aangegeven bij de fiscus? Bent u in zee gegaan met een adviseur die voor u (zoals hierboven beschreven) een inventieve constructie heeft opgezet? U wilt schoon schip maken? Wij begeleiden u vanuit onze jarenlange ervaring graag.

In onze praktijk zien wij het regelmatig. Mensen die jarenlang regelmatig in het buitenland verbleven voor (seizoens)werk, bijvoorbeeld in de recreatieve sector, of daar een huisje hebben dat ze ook verhuren. Het geld dat ze daarmee verdienden, hebben ze in het betreffende land op een spaarrekening gezet, ieder jaar een beetje.

Buitenlandse rekening in aangifte

Uiteindelijk staat daar dan toch een behoorlijk bedrag op. Het idee is vaak om dit later te gebruiken als appeltje voor de dorst in Nederland of om op te kunnen nemen als men naar dit land gaat emigreren of langere tijd daar verblijft. In veel gevallen komt het gewoon echt niet in hen op om dit verdiende en gespaarde geld of de buitenlandse woning aan te geven bij de Nederlandse belastingdienst. Groot is de verrassing (lees: teleurstelling) dan ook indien opeens de buitenlandse rekening vermeld staat in de vooraf ingevulde aangifte. Door de steeds intensievere informatie-uitwisseling tussen steeds meer landen, komen deze gegevens beschikbaar voor de Nederlandse belastingdienst.

Voorbeeld

Een voorbeeld is dat van een dame die jarenlang excursies verzorgde in het buitenland. Het geld dat ze daar verdiende, zette zij op een lokale rekening. Zij was reeds met de werkzaamheden gestopt, toen deze rekening recent alsnog opdook in de vooraf ingevulde aangifte. In haar geval geldt dit als box 1 inkomen, omdat het met arbeid is verdiend. Ze geeft aan dat in het betreffende land al inkomstenbelasting is ingehouden, maar er is nauwelijks iets beschikbaar aan salarisstroken etc. waardoor niet te bewijzen valt dat zij daar reeds inkomstenbelasting betaald heeft. Dit betekent dat zij zowel box 3 als box 1 belasting met rente zal moeten betalen, alsmede een boete. Helaas zal er dan niet veel overblijven van het gespaarde geld. In haar geval is het extra schrijnend dat zij in het in het land waar zij excursies verzorgde regelmatig geld schonk aan een weesjongen die zij had leren kennen. De fiscus ziet dit als schenking en er zal dus ook  achteraf schenkbelasting moeten worden betaald tegen het hoogste tarief aangezien het niet om eigen familie gaat.

Indien een buitenlandse rekening vermeld staat, valt er maar 1 ding te doen; actief meewerken en zo snel mogelijk openheid van zaken geven. Alhoewel het dan niet echt meer om inkeren gaat (de fiscus is immers reeds op de hoogte van de rekening), wordt medewerking gezien als een reden voor een lagere boete.

Wij adviseren u graag indien u in een dergelijke situatie zit.

Zit u in een inkeertraject of is dit afgerond? Gaat u het overgebleven (witte) buitenlands vermogen overmaken naar uw Nederlandse rekening? Geef dan tijdig bij de bank aan dat u gebruik maakt of heeft gemaakt van de inkeerregeling en dat het om het resterende bedrag gaat dat dus netjes aangegeven is bij de Belastingdienst. Het is ook verstandig om pas na afhandeling van het inkeertraject het geld over te maken.

Toegenomen controle particuliere klanten door banken

Van een aantal van onze cliënten hebben wij de laatste tijd vernomen dat hun Nederlandse bank het hen moeilijk maakt als zij het geld dat vrijkomt na of tijdens het inkeertraject naar hun Nederlandse rekening overmaken. Mogelijke aanleiding is de toenemende druk op banken om hun particuliere klanten te controleren op witwaspraktijken. Zo kreeg ING vorig jaar en ABN dit jaar een flinke boete omdat zij onvoldoende deden om witwassen tegen te gaan.

Voorkom dat uw transactie wordt gemeld als verdacht

Indien nu dus vanaf een buitenlandse bank ineens een grote som geld op de Nederlandse rekening wordt gestort, kan dit worden aangemerkt als verdacht. De banken zijn niet op de hoogte van het feit dat u als de eigenaar van het vermogen het inkeertraject heeft doorlopen. Het kan zijn dat zij uw transactie willen aanmelden bij het MOT (Meldpunt Ongebruikelijke Transacties). U kunt onnodige problemen en vertraging voorkomen door bij de bank te melden dat het om aangegeven vermogen gaat dat u stort nadat u gebruik heeft gemaakt van de inkeerregeling.

Ook een notaris kan onterecht aan de bel trekken 

Ook notarissen zien zich genoodzaakt om aan de bel te trekken indien zij betrokken worden bij een zaak waarin buitenlands vermogen een rol speelt. Bijvoorbeeld in een zaak waarin buitenlands vermogen geërfd is of indien u als gemachtigde moet optreden namens de eigenaar van het buitenlands vermogen indien deze zelf niet meer in staat is om te handelen. Een notaris moet dan verklaren dat iemand anders gemachtigd is. Ook wordt in sommige gevallen door de buitenlandse bank zelfs weer gevraagd om een apostille, een verklaring omtrent de bevoegdheid van de notaris ofwel legalisatie van zijn/haar handtekening. Ook de notaris is niet automatisch op de hoogte van het feit dat u in een inkeertraject zit en kan vragen gaan stellen over het buitenlands vermogen en een melding hiervan willen doen bij het MOT. Ook dit kan onnodige vertraging of een moeizamer verlopend inkeertraject opleveren. Niet iets waar u op zit te wachten.

Wij staan u graag bij indien u zulk soort vragen op u af krijgt. Neemt u gerust contact op om uw situatie te bespreken.

Deze week maakte de regering het belastingplan 2019 bekend op Prinsjesdag.

Een gedeelte van de voorstellen zal in 2019 al ingaan, maar er zijn ook maatregelen die pas ingevoerd zullen worden over een paar jaar of verspreid over jaren volledig effectief zullen worden. Alle voorstellen moeten nog goedgekeurd worden door de Eerste en Tweede Kamer.

Inkomsten belasting

  • Inkomstenbelastingverlaging en invoering van twee belastingschijven: Het huidige inkomstenbelasting stelsel kent vier belastingschijven: 36,55% (inkomen maximaal € 20.142); 40,85% (inkomen maximaal € 34.404); 40,85% (inkomen maximaal € 68.507); 51,95% (inkomen boven € 68.507). In 2019 worden eerste de 4 belastingschijven verlaagd tot: 36,65%; 38,10%, 38,10% and 51,75%. Vanaf 2021 zal het belastingsysteem nog maar twee schijven hebben waarvan de eerste 37,05% voor inkomens tot € 68.507 en 49,50% voor alle inkomens hierboven.
  • De arbeidskorting zal sneller oplopen. Het maximum wordt verhoogd. De inkomensafhankelijke combinatiekorting zal gelijkmatiger opgebouwd worden. Bovenstaande maatregelen zouden moeten leiden tot een hoger netto inkomen voor inkomens tussen de € 20.000 en € 60.000.
  • De algemene heffingskorting maximum gaat omhoog met € 358 totaal, verspreid over 3 jaar. Dit zou ten gunste moeten komen voor mensen met een inkomen tot € 50.000.
  • Vanaf 2020 wordt de hypotheekrenteaftrek verminderd met 3% per jaar totdat tarief in de eerste schijf, 37,05% is bereikt.
  • Ook verminderd met 3% per jaar (tot de 37,05% is bereikt) worden de volgende grondslagverminderende posten. (Dit is alleen relevant voor belastingplichtigen met inkomen in de hoogste schijf.):
  • de ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek, aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, meewerkaftrek, startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid, stakingsaftrek);
  • de MKB-winstvrijstelling (alleen indien de winst positief is na aftrek van de ondernemersaftrek)
  • de terbeschikkingstellingsvrijstelling (alleen indien positief);
  • de persoonsgebonden aftrek (dit geldt nu voor onder andere uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, specifieke zorgkosten en scholing, monumentenpanden, de weekenduitgaven voor gehandicapten, aftrekbare giften)

Loonbelasting

  • De 30% ruling wordt met ingang van 1 januari 2019 verkort van 8 naar 5 jaar, ook voor expats die reeds gebruik maken van de regeling. De termijnverkorting geldt ook voor de keuzeregeling voor partiële buitenlandse belastingplicht.
  • De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding wordt verhoogd van € 150 per maand of € 1.500 per jaar naar respectievelijk € 170 en € 1.700.

Omzetbelasting

  • Het lage BTW tarief wordt verhoogd van 6% naar 9%.
  • Het toepassingsbereik van de btw-sportvrijstelling wordt verruimd.
JC Suurmond